Wonen in een stad
 
 
 
 
 
 
Veilig wonen in de middeleeuwen
Bij de mensen thuis in de middeleeuwen
Rijke poorters hadden mooie huizen, maar de arme mensen woonden in kleine, houten huisjes. Die waren dicht op elkaar gebouwd. De gezinnen woonden en werkten in één kamer. De hele familie sliep in één bed. In de Middeleeuwen was het niet gewoon om je vaak te wassen.
De mensen woonden dus dicht op elkaar. Er was nog geen riolering en ook de uitwerpselen van alle dieren lagen op straat. Eigenlijk gooide je alles op straat, dus etensresten, maar ook je emmer met plas en poep leegde zo op straat. Al die smurrie liep dan naar de goot en van de goot naar de gracht of de rivier. Stinken deed het dus heel erg in de middeleeuwse stad! Er braken vaak besmettelijke ziektes uit. Maar niemand begreep waar die vandaan kwamen.

Nog weer later ontstonden de eerste steden. Tegen betaling van heel veel geld kon een landheer een stad stadsrechten geven. De burgers mochten de stad dan zelf besturen en ze mochten zelf rechtspreken. Maar ze moesten de stad voortaan ook zelf verdedigen. Daarom lieten ze muren om de stad bouwen met twee of vier poorten. Stadsbewoners werden toen poorters genoemd. Poortwachters controleerden wie de stad inging of uitging.

Om een plek te vinden, waar men kon ruilen of hun handel te koop te zetten, werden er markten georganiseerd. Die markt was er eerst een keer per week, maar algauw elke dag. Ook had je speciale jaarmarkten. Die markten zorgden ervoor, dat er meer mensen in de buurt van een dorp gingen wonen en dan werden dat steeds grotere steden. Zo ontstonden er kooplieden, die elke dag op de markt stonden om hun handel te verkopen.
Zoals je weet werd er in het begin van de middeleeuwen vooral geruild. Maar elke stad kreeg steeds vaker hun eigen muntgeld, waar je ook mee kon betalen. Zie ook "Eten"

De straten in de middeleeuwse stad waren druk. Vol met mensen, dieren en omdat de huizen klein waren, bouwden mensen er als dat nodig was er een stuk aan. Ook zaten de ambachtslieden buiten op straat te werken.
De huizen waren meestal van hout. Dat was goedkoper dan steen. Maar ook veel brandbaarder. Als er één huis in brand ging, dan sloeg de vlam erg vaak over naar andere huizen.
Zo konden hele steden in vlammen opgaan! (zie ook "Gevaar"