Wonen in een dorp
Het leven in een dorp op het platteland was niet makkelijker dan in de stad. Wel was het vaak makkelijker om zelf voor je eten te zorgen, omdat er genoeg plek was om je eten te verbouwen. Maar vrij was je niet als horige of lijfeigene, je was het eigendom van een landheer. Dat klinkt net zo vervelend als het ook was.

Omdat een landheer veel land had, had hij ook veelmankrachtnodig om op zijn land aan het werk te zijn. Dat deed hij niet zelf, dat liet hij doen door horigen en lijfeigenen. Zijn land had hij in stukjes verdeeld, maar de mensen die erop moesten werken, waren niet vrij.

Ze moesten een deel van de oogst en de andere opbrengsten van hun land aan de landheer geven. Ook moesten ze herendiensten doen, dat betekent, dat ze verplicht een paar dagen op het land van de leenman moeten werken. Zo moest de horige eerst op het land van de heer de oogst binnenhalen en dan mocht hij pas zijn eigen oogst binnenhalen. Als het dan regende, had hij pech.
Nog vervelender was het dat de lijfeigenen zelfs verkocht konden worden aan een andere landheer.
De landheren waren heel streng voor de horigen en verzonnen steeds weer nieuwe regels. Zo mocht de landheer de eerste nacht met de bruid slapen.

Eenn horige kon wel vluchten, maar als hij terug gevonden werd was de straf vreselijk. Als je als horige een jaar en een dag in een stad kon overleven (zonder gevonen te worden) dan kon je een verklaring halen, dat je vrij was. Het lastige was, dat in de stad niemand jou aan wilde nemen, want als je onbekend was in de stad, betekende dat meestal dat je gevlucht was.

Vrije boeren bleven op het landgoed van de landheer wonen. Zij pachtten de grond en de boerderij. Ze betaalden met geld of met een deel van de oogst. Echt vrij waren ze dus niet, maar ze hadden wel iets meer rechten dan een horige.
Op deze plaat staan de 12 maanden van het jaar. Elke maand moest er wel wat gebeuren...