Werken
Boeren hadden een zwaar leven. Bijna alles moest met de hand gedaan worden. De grond omploegen, het zaaien, onkruid wieden en de oogst binnen halen. En als de oogst mislukte door te veel zon of door te veel regen? Dan was er geen eten.
Ook hadden horigen geen eigen molen, oven of smederij. Daarvoor moesten ze naar de landheer, die hen aanwees, waar ze verplicht hun graan moesten malen, hun brood moesten laten bakken en hun gereedschappen laten maken of repareren. Daar betaalden ze dan geld voor.

Toch deden ook de boeren ontdekkingen. Met hout maakten ze al gleuven in de aarde, maar toen ze de ploeg uitvonden en die van ijzer maakten, werd het makkelijker om te zaaien. Het paard of de os, die ze ervoor gebruikten, kreeg een juk om zijn kop heen.
Uitvindingen maakten het werk makkelijker, maar zo'n uitvinding mocht niet zonder toestemming van de landheer gebruikt worden.
De landbouwproductie werd in de loop van de vroege middeleeuwen verbeterd door een nieuw type ploeg: de keerploeg, die de grond omkeert en ook zware gronden kan beploegen.
De ouderwetse ploeg, het eergetouw, sneed alleen voren in de akkers en was slechts bruikbaar op lichte gronden. De nieuwe ploeg is er alleen op de landgoederen want het is te ingewikkeld voor een gewone boer om zelf te maken. Vanuit de landgoederen worden veel woeste gronden ontgonnen.

In de stad woonden geen mensen, die boer waren.  De bewoners van een stad ruilden hun eten tegen andere spullen. Ze maakten voorwerpen, die andere mensen nodig hadden.
Een smid maakte hoefijzers, een ploeg of andere ijzeren dingen. De bakker bakte brood, de molenaar maalde het meel, de timmerman maakte meubels en er waren ook vrouwen, die kleding maakten voor de rijkere vrouwen. Daarmee konden ze dan ruilen. Met deze ruilhandel verdienden ze hun eten. Die beroepen noemde men ambachten. 



Filmpje: Vrouwenwerk in de middeleeuwen
Mannen en vrouwen werkten allebei heel hard. Ze waren allebei verantwoordelijk voor het eten van elke dag.

Toch was het voor vrouwen vaak nog net wat zwaarder: Zij hielpen op het land, zorgden voor de kinderen, het eten en het huishouden, ook als ze in verwachting waren of de baby net hadden gekregen. Tijd voor pauze was er nauwelijks.