Boeken lezen in deze tijd, dat doe je nu als je nog maar 1 jaar oud bent en soms al eerder. In de veertiende eeuw kwamen er steeds meer scholen, maar de beste lezers en schrijvers bleven de monniken. Omdat het maken van boeken zoveel tijd kostte, waren boeken heel duur.
Verhalen die werden niet voorgelezen,maar steeds weer verteld. Kinderen lazen nog geen boeken, maar hoorden de verhalen van hun ouders, grootouders of van echte verhalenvertellers.

Vanaf de veertiende eeuw


Omdat de boeken op scholen in het Latijns waren geschreven en de kinderen Latijns moesten spreken, toch ontstonden er in de veertiende eeuw vertalingen van Latijnse teksten in het Middelnederlands. Natuurlijk waren dat wel stukjes uit de bijbel, zoals psalmen, eigenlijk niet bedoeld waren voor kinderen, maar ook voor mensen die op latere leeftijd meer wilden leren over de opvoeding in ethiek en moraal.

                                          Alle die vroet willen wesen
                                       Der clercken boec moeten si lesen
                                             Of in Dietsch, of in Latine.
Verhalen vertellen
Een marskramer verkocht spullen en vertelde soms verhalen.
Vanaf de veertiende eeuw kwam er wel steeds meer verandering in de hoeveelheid scholen, want hoe stedelijker een gebied was, hoe meer mensen er konden lezen (en soms schrijven). Voor de handel was het namelijk heel handig om te kunnen lezen, want dan kon je de boekhouding bijhouden en brieven schrijven naar andere handelaars. Toch bleven vooral de geestelijken de beste lezers en schrijvers. En al gingen er steeds meer kinderen naar school, dan waren dat wel vaak de kinderen van de rijkere burgers.

Vaak zegt men nu dat de geestelijken de geleerde stand was, de burgerij lerend en de adel
onwetend. Lezen was in eerste instantie minder nodig voor de rijkere adel en sommige
hoge heren waren absoluut analfabeet.

Maar toch is het niet zo dat alle edelen ongeletterd waren. Er werd steeds meer gezorgd
voor een goede opvoeding, ook van  de adel. Men wilde liever niet een koning die niet
kon lezen, want dat was hetzelfde als een gekroonde ezel.
Een mooi voorbeeld uit de Lage Landen (Nederland en Vlaanderen nu) is Jacoba van Beieren, die samen met de Franse kroonprins Jan van Touraine privéonderwijs kreeg van een franse geestelijke, meester Albert Loison. Jacoba kon op haar 8e jaar al Latijn kon spreken. Natuurlijk hadden zij wel eigen boeken en hadden ze zelfs een eigen schrijftafeltje met perkament. Daar hadden zij genoeg geld voor.
Lees hier meer over de verhalen van toen.
Doorgaan
naar Boekdrukkunst