Lezen in de Middeleeuwen
Een voorbeeld van zo’n kloosterschool is er in Egmond. Daar werd in ongeveer 1300 een Egmonds Cato-handschrift gemaakt. Het is het oudst bekende schoolboek in Nederland.

In het midden van de pagina is de tekst geschreven met een grote letter en aan de zijkanten was er plek voor verklaringen en toelichtingen: Een echt middeleeuws schoolboek, dat ging over hoe men zich gedragen moest (de zedenleer). 
Ook bestonden exemplaren van de abecedaria, waarin het abc werd aangeleerd.

In de twaalfde eeuw kwamen er langzaamaan wel steeds meer stadsscholen naast de kloosterscholen en in de dertiende eeuw kwamen er in verschillende landen universiteiten. De meest getalenteerde leerlingen gingen daarheen.
Als je die boeken wilde lezen in de middeleeuwen, moest je eerst de Latijnse taal leren. En je moest veel geld hebben of gaan verdienen, want boeken waren in die tijd heel kostbaar.

De middeleeuwse scholen

In de twaalfde eeuw werd er les gegeven op kloosterscholen aan jongens, die later  in het klooster zouden gaan. En adellijke kinderen kregen les, soms op zo’n kloosterschool, soms thuis. De bijbel was alleen in het Latijns, dus kregen deze kinderen les vanaf hun 6e jaar in die vreemde taal.

Een van de belangrijke schriften of leerboeken is wel ‘Ars minor’: Een leerboek van Donatus, een Romeins taalkundige die ongeveer 350 na Christus leefde. Uit dit boek leerde iedereen de belangrijkste dingen over de Latijnse taal. Het werd zelfs tot in de 19e eeuw gebruikt in Italië, dus heel veel eeuwen lang is dit op scholen gebruikt om Latijns te leren. Rond zijn 12e  jaar kon een leerling dan een gesprek in het Latijn voeren over dit soort boeken. Het was streng verboden op school iets anders te spreken dan Latijn.

Boeken hadden de leerlingen in de middeleeuwen niet, omdat ze te kostbaar waren en omdat ze vonden dat je alles maar uit je hoofd moest leren: eerst leren, dan begrijpen en dan pas erover praten en gaan twijfelen. Het belangrijkste doel van onderwijs was dus onthouden (memorisatie). Dat deden ze door bepaalde teksten steeds maar weer na te zeggen en daardoor te onthouden.
Pas als de leerling ouder was, mocht hij in moeilijkere boeken lezen.

Boeken vond men niet echt nodig, want alles wat je leerde, zag je ook in je directe omgeving. Leren deed je door de dingen te doen.
Jonge monniken leerden in het klooster van de ouderen, de pages aan het hof leerden van de volwassen ridders.
Het Egmondse handschrift
met onder andere de Disticha Catonis
Doorgaan naar Verhalen vertellen