Heldenverhaal en Haneboek
In de zestiende eeuw kwamen er steeds meer boeken, omdat de boekdrukkunst was uitgevonden. Die boeken waren nog steeds alleen bedoeld voor volwassenen en natuurlijk vooral voor de rijkere mensen. Maar… er werd steeds meer mogelijk, want de boeken werden niet alleen meer in het Latijn geschreven of gemaakt.

Vanaf de zestiende eeuw

De meeste literatuur en verhalen werden niet uit een boek gelezen en geleerd, maar werden door iedereen doorverteld en weer verder verteld. Al die verschillende verhalen werden door iedereen gehoord, ook door kinderen. Daar hoorden ridderverhalen en heldenverhalen bij, zoals ‘Arthur en zijn ronde tafel’ met de grote ridder Walewein, maar ook andere verhalen.

Ook al toen in de zestiende eeuw steeds meer mensen gingen lezen, bleef het schrijven minder interessant. En omdat mensen ook toen moesten wennen aan veranderingen, kon dus niet iedereen direct wennen aan boeken. Waarschijnlijk werden boeken uitgeleend aan elkaar en voorgelezen in huiskamers of bij feesten. Daar zat iedereen bij, kinderen, jongeren en volwassenen.
Er is geen echte grens tussen de middeleeuwen en de 16e eeuw op het gebied van het onderwijs en de Latijnse verhalen, toch is er wel een verschil, dat komt door de uitvinding van de boekdrukkunst. Boeken werden gemakkelijker gemaakt en gingen daardoor minder geld kosten. Er werden nu gedrukte boekjes op school gebruikt, maar nog steeds kregen de leerlingen les in de Latijnse taal en in de zedenleer. Wel kregen oudere kinderen nu wel eens een boek in hun handen, soms gekocht en soms geleend.

Langzaamaan veranderden de teksten van de verhalen. Vroeger waren die alleen voor de adel en de ridders,  later in de middeleeuwen werden ze ook waardevol voor de burgerij. Maar nog steeds waren er geen verhalen of boeken, die speciaal en alleen voor kinderen waren geschreven. Drukkers maakten boeken liever voor een groter publiek, dan verdienden ze meer.

Schoolboekjes werden er wel heel veel geschreven, zoals de modernere grammatica die rond 1485 speciaal voor studenten van de universiteit werd gedrukt. Dit was in Middelnederlands geschreven, maar dat was een uitzondering. Ook de inhoud van de schoolboekjes veranderde, omdat de mensen in de 16e eeuw vonden, dat kinderen niet alleen moesten worden volgepropt, maar dat ze ook nuttige informatie  moesten krijgen. En die boekjes waren nog steeds niet leuk, de verhalen kwamen vaak uit de Bijbel en waren bedoeld als voorbeeld van hoe je moest leven.

Er werden rekenboekjes ontwikkeld in de 16e eeuw en gemaakt in de moedertaal. Leesboekjes en schoolboeken bleven nog hetzelfde als in de 15e eeuw. Dat betekende ook nu nog veel uit het hoofd leren. Maar met Desiderius Erasmus kwam er langzaam een verandering: Hij schreef speciaal voor Karel V, maar ook voor andere jongeren het ‘Institute principes chriistiani’ . Hij wilde de jongeren van die tijd beter opvoeden door ze te laten letten op wat ze lazen.

Er ontstonden ‘Haneboeken’ en ABC-boeken, beiden bedoeld om kinderen op een leukere manier te laten leren, maar de teksten waren nog steeds ook voor volwassenen bedoeld.
Een haneboek
Doorgaan
naar het Eerste kinderboek