Eten
Ken je dit gezegde: eten wat de pot schaft? Het betekent dat je moet eten, wat er gemaakt is.
In de middeleeuwen at iedereen wat in die ene pan gekookt was. Rijke mensen hadden geld voor meerdere gerechten op tafel,maar de armere middeleeuwers niet.
Elke middeleeuwer had een mes bij zich. Dat werd overal voor gebruikt. Als schaar en natuurlijk als mes, om dingen door te snijden. En ook bij het eten. Een stuk vlees afsnijden en het dan daarmee in je mond stoppen, als een soort prikker. Vorken bestonden niet. Ook de borden zijn van later datum. Schalen bestonden wel, maar waren erg duur. Dus gebruikten men als bord ronde broden. Daar legde je je eten op en als dat brood verzadigd was, at je het op. (of werd dat aan de armen gegeven).
Mensen in de steden haalden hun etenswaren op de markt. Elke dag was er wel markt voor alle dingen die maar een paar dagen houdbaar zijn. Winkels waren er niet en koelkasten bestonden natuurlijk nog niet. Maar eten koel houden konden mensen wel een paar dagen in hun kelder. En kruiden kon je ook in je tuin laten groeien en pas plukken als je dat nodig had. In de winter kon je de kruiden laten drogen en daarmee bewaren.

Wat aten ze? Vlees van de kip, varken, geiten, soms paarden en runderen. Konijnen en eenden werden ook gevangen. Kaas, boter kenden mensen ook. En natuurlijk groenten en fruit (kool, ui, prei, bonen, knoflook, witte wortelen, pddestoelen, appels, peren, bessen en nog veel meer). Het eten werd op smaak gebracht met kruiden, zoals munt, peterselie en selderij.

Was je armer of leefde je als boer, dan at men vaak pap van rogge en werden groenten en kruiden geoogst van het eigen land of gevonden in de natuur. Vissen kon je zelf vangen, maar ook die konden op de markt gekocht worden. Vlees was dus vooral voor de rijkere mensen.

Rondtrekkende kooplieden, marskramers, verkochten allerlei spullen bij de mensen thuis. Toen kooplieden zich op vaste plekken gingen vestigen, ontstonden de eerste dorpen. Vaak bij doorwaadbare plaatsen in een rivier of bij een kruising van wegen. De dorpen lagen meestal ook op de grond van een landheer. Die liet de dorpelingen belastingen betalen, in ruil voor bescherming.
De markt als middelpunt in de middeleeuwen