De hoge middeleeuwen

Vanaf de 10e eeuw tot ongeveer de 13e eeuw was het feodale systeem heel belangrijk.  Het feodale systeem was de manier, waarop Karel de Grote zijn rijk had bestuurd.



De hoge Middeleeuwen
Langzaamaan kreeg de kerk steeds meer macht en werd de paus de belangrijkste man in Europa. De boeken, die geschreven werden, waren te vinden in de kerk, want vooral de klerken en monniken in de kloosters konden schrijven. Ook de Duitse keizer was erg belangrijk.

Deze tijd noemt men nu de hoge of volle middeleeuwen. Dit is ook de tijd van de kruistochten, de manier voor mensen om boete te doen en de heidenen uit Jeruzalem te jagen. Ze vonden dat ze dat moesten doen als hun plicht.

Omdat het leven een stuk rustiger was geworden, zonder invallen van allerlei stammen, ontwikkelden stadjes en steden zich. De handel werd weer belangrijk en er werden overal kathedralen gebouwd. Economisch en cultureel gezien was dit een bloeiperiode. De grotere steden vroegen en kregen steeds vaker hun stadsrechten.

Lees verder over de late middeleeuwen
De adel en de paus waren de baas.

Zij leenden stukken land aan mensen van adel. Die leenden dat dus voor hun helel leven van hem, moesten ervoor zorgen en ervoor betalen. Zij betaalden de koning of de paus dus voor dat lenen van het stuk land. Deze leenmannen worden ook wel vazallen genoemd.

De leenmanen had ondergeschikten, mensen die op zijn land woonden en voor hem moesten werken. Ze werden horigen genoemd. Deze mensen werkten op het land of als knecht en hadden niets te vertellen.

De leenmannen wilden graag hun macht behouden en hun kinderen mochten steeds weer het land erven. De kleine dorpjes op het land werden groter, maar moesten wel altijd een deel van de winst en de oogst aan de landheer geven.